Engelse woorden en hun gebruik

Hieronder geven we uitleg bij het gebruik van heel verschillende Engelse woorden. Afhankelijk van hoe je ze gebruikt hebben ze net een andere betekenis. Als er een verschil is tussen Brits Engels en Amerikaans Engels behandelen we dat hier ook.

And

1 And wordt gebruikt om woorden, werkwoorden en zinsdelen te verbinden.

handsome and gorgeous
They played and danced all night.
I went home, and Nick stayed at Nathan's.

2 En je gebruikt and voor het laatste deel van een opsomming.

handsome, gorgeous and kind
They played, drank and danced all night.

3 Voor and komt geen komma, tenzij de delen die je samenvoegt op zichzelf losse zinnen kunnen zijn. Dan is een komma voor and wel gebruikelijk.

I went home, Daryl went with Sara, and Nick stayed at Nathan's.

4 In uitdrukkingen komt het korste woord vaak eerst.

fun and laughter
tall and beautiful

En bij standaard uitdrukkingen kan je de volgorde nooit veranderen, omdat het anders raar klinkt.

fish and chips (niet chips and fish)
hands and knees
knife and fork
bread and butter
thick and thin

5 Als je bijvoeglijke naamwoorden opsomt, gebruik je and als de opsomming na een werkwoord komt.

He was handsome, gorgeous and kind.
He looked hot, sweaty and tired.

Maar als de opsomming wordt gevolgd door een zelfstandig naamwoord is and niet zo gebruikelijk.

A handsome, gorgeous, kind man.
A small, red, fast car.

But

1 But wordt gebruikt zoals het Nederlandse 'maar'.

It's weird, but I like it.
He said he would come, but he didn't.

2 But kan ook 'behalve' betekenen. Voor but komt dan geen komma.

Anyone but me.
The all went but Suzy.
She did nothing but complain.

3 But wordt ook gebruikt met last en next en dan betekent het 'op een, twee, etc. na'.

She lives next door but one.
I was last but two in the race.

Shall & Will

In modern Engels zeg je meestal will en wordt shall nog maar zelden gebruikt. Dat is volledig geaccepteerd, maar de regel is als volgt:

1 Shall wordt gebruikt bij de eerste persoon enkelvoud en meervoud: I en we.

I shall see her tomorrow.
We shall give them a visit tomorrow.

2 Will gebruik je bij de tweede en derde persoon, dus: you, he, she, it en they

You will be sorry.
He will meet her next week.
It will be a suprise party.
They will never be friends.

3 Maar als je wilt benadrukken dat iets moet of dat het zeker gaat gebeuren, draai je het juist om:

You shall be there on time!
They shall throw her a party!
I will see her tomorrow!

About & On

About & On kunnen beide 'over' betekenen.

1 On wordt gebruikt als een artikel, boek of lezing specialistisch of wetenschappelijk is.

A book on English history from 1066-1485.
An article on adult education.

2 About gebruik je als de informatie begrijpelijker en informatief is.

A children's book about English history.
A newspaper article about local schools.