Present & Past Simple

De onvoltooide tijd heet in het Engels de Simple Tense. Op deze pagina behandelen we de Present Simple en de Past Simple.

Present Simple

De Present Simple is de Onvoltooid Tegenwoordige Tijd.
[1] De Present Simple wordt het meest gebruikt bij situaties of acties die regelmatig of altijd voorkomen.
I work three days a week.
My girlfriend lives in Essex.
Water freezes at zero degrees centigrade
[2] De Present Simple wordt ook vaak gebruikt als je iets vertelt, ook al speelde dat zich in het verleden af. De verleden tijd kan dan natuurlijk ook.
So I open the window, I call out his name, and guess what he says...
[3] Soms gebruik je de Present Simple om te praten over de toekomst, met name na if en bij aankomst- of vertrektijden.
It'll be great if she comes.
What if he fails?
The last bus leaves at 9.30 pm.
[4] De Present Simple wordt verder gebruikt in uitdrukkingen als I hear, I gather en I see, om aan te geven dat je iets te weten bent gekomen.
I hear you are getting married.
I gather she's going to leave him.
I see there's been another earthquake in Indonesia.

Past Simple

De Past Simple is de Onvoltooid Verleden Tijd
 
[1] De Past Simple wordt gebruikt bij situaties of acties die nu niet meer bestaan of kloppen.
I worked in the City.
My girlfriend lived in Essex.
His car was red.
[2] De Past Simple gebruik je ook als er een tijdsbepaling in de zin staat die een vastomlijnde periode in het verleden aangeeft.
Yesterday I bought a new pair of jeans.
He kissed her last night.
[3] De Past Simple verwijst echter niet altijd naar het verleden. Zo kan de verleden tijd in sommige gevallen gebruikt worden om naar het heden of zelfs de toekomst te verwijzen. Dat gebeurt:
 
- na if, as if, as though en suppose.
If only I had more time.
You look as if you went mad.
It's as though she saw a ghost.
Suppose we went to London?
- na it's time, would rather en wish.
It's time you went home.
I would rather you came now.
I wish I had a better car.
- bij sommige uitdrukkingen waar het gebruik van de verleden tijd de boel net wat vriendelijker maakt.
Did you wish to see me?
I wondered if you were free this evening.
I thought you might like this.
- ook could, should en would verwijzen vaak naar heden of toekomst. Ook dit klinkt dan net even wat vriendelijker dan met can, shall of will.
Could you help me tomorrow?
Alice should be here soon.
Would you come this way, please?

The English Tenses

present tense

ACTIVE VOICE  

  past tense


I sell iPads
I sold iPads
I am selling iPads
I was selling iPads
I have sold iPads
I had sold iPads
I have been selling iPads

I had been selling iPads

I will sell iPads
I would sell iPads
I will be selling iPads
I would be selling iPads
I will have sold iPads
I would have sold iPads


present tense

PASSIVE VOICE  

  past tense


iPads are sold
iPads were sold
iPads are being sold
iPads were being sold
iPads have been sold

iPads had been sold

iPads will be sold
iPads would be sold
iPads will have been sold
iPads would have been sold


De tijden Nederlands-Engels

Tegenwoordige tijd

onvoltooid tegenwoordige tijd
voltooid tegenwoordige tijd
onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd
voltooid tegenwoordige toekomende tijd

Verleden tijd

onvoltooid verleden tijd
voltooid verleden tijd
onvoltooid verleden toekomende tijd
voltooid verleden toekomende tijd

Oefen de onvoltooide tijd

Present Simple/Continuous: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5
Past Simple/Continuous: oefening 1 | oefening 2 | oefening 3 | oefening 4 | oefening 5