Engelse if-zinnen

Click for London on Instagram

Met if maak je als/dan zinnen oftewel conditional sentences. Dat is op zich niet zo moeilijk; dat doen we in het Nederlands ook.

Wat het zo lastig maakt is de mengelmoes van Engelse tijden die in zo'n zin worden gebruikt. Daardoor krijgen die zinnen steeds een net wat andere betekenis.
Gelukkig zijn het een paar vaste zinsconstructies. Hieronder laten we ze alle vier zien.

Conditional sentences

1 Een conditional sentence bestaat uit twee delen, een hoofdzin en een zinsdeel met if.

If it rains, you get wet.

2 Als if in het eerste zinsdeel staat, gebruik je een komma. Als if in het tweede zinsdeel staat is een komma niet nodig.

If it rains, you get wet.
You get wet if it rains.

Zero Conditional

1 Bij de zero conditional gebruik je in beide zinsdelen dezelfde tijd: de Present Simple.

If you speed up, you go faster.

2 De zero conditional wordt gebruikt voor zaken die absoluut gebeuren, zoals wetenschappelijke feiten en algemene waarheden.

If you get too close to the sun, you melt.
If you cross a border, you enter another country.

First Conditional

1 Bij de first conditional gebruik je verschillende tijden in de twee zinsdelen. Bij if gebruik je de Present Simple en in het andere zinsdeel will + een werkwoord.

If you prepare properly, you will pass the test.

2 De first conditional wordt gebruikt als het best waarschijnlijk is dat iets gaat gebeuren, nu of in de toekomst.

If he gets the day off, we will go to London
We will all be sad if Daniel leaves.

Second Conditional

1 Bij de second conditional gebruik je verschillende tijden in de twee zinsdelen. Bij if gebruik je de Past Simple en in het andere zinsdeel would + een werkwoord.

If I won the lottery, I would buy a car.

2 De second conditional wordt gebruikt als het niet waarschijnlijk is dat iets gaat gebeuren, nu of in de toekomst.

If I got the day off, what would we do?
We would all be sad if Daniel left.

Third Conditional

3 Bij de third conditional gebruik je verschillende tijden in de twee zinsdelen. Bij if gebruik je de Past Perfect en in het andere zinsdeel would have + een voltooid deelwoord.

If you had prepared properly , you would have passed the test.

4 De third conditional wordt gebruikt voor zaken die absoluut niet gebeurd zijn in het verleden.

If we had gotten time off, we would have gone to London.
We would have been sad if Daniel had left.