Engelse woordvolgorde

Click for London on Instagram

De standaard regel voor de woordvolgorde in het Engels is: onderwerp - gezegde - lijdend voorwerp, oftewel Subject - Verb - Object.

Maar op welke plaats komt dan een bijwoord, een bijvoeglijk naamwoord of een meewerkend voorwerp? Dat vertellen we je hieronder.

Adverbs - bijwoorden

Een bijwoord kan op drie plaatsen staan:

  • aan het begin van een zin
  • ergens 'in het midden' van een zin
  • aan het einde van een zin

Daarmee is helaas niet gezegd dat ieder bijwoord ook op alle drie de plaatsen kan staan. Het werkt als volgt:

Begin van de zin

1 De bekendste bijwoorden die aan het begin van een zin kunnen staan zijn de bijwoorden van bepaalde tijd, oftewel de tijdsbepalingen.

Yesterday I got up late.
Once I wanted to be a doctor.
In January it hardly snowed.

Deze bijwoorden kunnen ook aan het einde van een zin staan, maar nooit in het midden.

I got up late yesterday.
I wanted to be a doctor once.

2 Dan zijn er ook nog bijwoorden van onbepaalde tijd. Die staan nooit aan het begin, maar wel in de middenpositie. Voorbeelden van deze bijwoorden zijn: never, always, seldom, often, frequently, rarely, already, sometimes, soon, generally, usually.

I never get up late.
I always wanted to be a doctor.
Have you ever seen such rubbish?

Midden van de zin

3 De meeste bijwoorden kunnen in het midden van een zin staan.

I don't at all agree.
I angrily walked out of the room.

En de meeste daarvan kunnen ook aan het einde staan.

I don't agree at all.
I walked out of the room angrily.

4 Bijwoorden die niet in het midden van een zinsdeel kunnen staan zijn:

  • bijwoorden die een bepaalde tijd aangeven
  • bijwoorden die een plaats aangeven
  • bijwoorden die aangeven hoe goed iets is gedaan
tijd: Yesterday, today, last year, etc.
plaats: Outside, inside, northwards, etc.
waarde: Well, badly, brilliantly, hopelessly, etc.

5 Over het algemeen staan de bijwoorden vòòr het werkwoord.

She suddenly stood up.
I often go hang-gliding.

Maar is het werkwoord to be, dan komen ze achter het werkwoord.

She is often late.
I was never happy with her.

En als er hulpwerkwoorden gebruikt worden, dan komt het bijwoord na het eerste hulpwerkwoord.

We have always lived in this house.
This job will never be finished.

Eind van de zin

6 De meeste bijwoorden kunnen aan het einde van een zin of zinsdeel staan. Als er meerdere bijwoorden worden gebruikt, is de volgorde:

  • eerst de bijwoorden die iets zeggen over het hoe
  • dan de bijwoorden die iets zeggen over het waar
  • en tenslotte de bijwoorden die iets zeggen over wanneer
I worked hard.
I worked hard at the ranch.
I worked hard at the ranch yesterday.

7 En dan zijn er nog bijwoorden die nooit aan het einde van een zin kunnen staan zijn. Zij geven een mate van (on)zekerheid aan.

They've probably forgotten her.
I definitely saw her.
Perhaps it'll storm tomorrow.
Surely you don't think she's beautiful.

Adjectives - bijvoeglijke naamwoorden

1 meteen voor het zelfstandig naamwoord komen de bijvoeglijke naamwoorden die zeggen waarvoor iets is, wat het doel is.

a tennis racket
a conference centre
a garden chair

2 daarvoor komen de bijvoeglijke naamwoorden die zeggen waarvan iets gemaakt is.

a steel and nylon tennis racket
a brick conference centre
a plastic garden chair

3 dan komen de bijvoeglijke naamwoorden die iets zeggen over de afkomst.

a Venetian glass ashtray
Spanish leather riding boots
a Chinese wooden writing desk

4 vervolgens is het de beurt aan de kleuren.

a green Venetian glass ashtray
brown Spanish leather riding boots
a black Chinese wooden writing desk

5 en als laatste (of eigenlijk als eerste) komen de woorden die iets zeggen over

  • leeftijd
  • vorm
  • grootte
  • temperatuur

De onderlinge volgorde van deze vier is vrij.

old brown Spanish leather riding boots
a round green Venetian glass ashtray
a big black Chinese wooden writing desk
a round big black Chinese wooden writing desk
a big round black Chinese wooden writing desk

Indirect object - meewerkend voorwerp

1 Het meewerkend voorwerp komt in het Engels meestal voor het lijdend voorwerp. Een meewerkend voorwerp is bijna altijd een persoon.

I bought my friend a cd.
He gave his girlfriend a new phone.

2 Je kan het meewerkend voorwerp echter ook achter het lijdend voorwerp zetten. Dan komt er een voorzetsel bij. Vaak is dat for of to.

I bought this cd for my friend.
He gave a new phone to his girlfriend.

Dit gebeurt om het meewerkend voorwerp wat meer nadruk te geven.

He bought it for you, not for me.

En als je it gebruikt als lijdend voorwerp komt het meewerkend voorwerp er altijd achter.

He bought it for you, not for me.

3 Bij de werkwoorden explain, describe, say, mention, suggest en prove gebruik je altijd to voor het meewerkend voorwerp.

Can you explain this to me.
He described to me how it went.
He said some mean things to her.
He mentioned it to me.
I suggested a solution to her.
Can you prove that to us?